George van den Bergh

voor meer Documentatie

vader loopuit

geboren te Oss op 25 april 1890, overleden 3 oktober 1966 te Oegstgeest;

zoon van Samuel (Sam) van den Bergh en Rebecca (Betsy) Willing

George huwde op 7 juni 1912 te Rotterdam met Jeannette E. van Dantzig;

George en Jeannette kregen vier kinderen

Robbert, geboren 1913, overleden 1997

Adèle Margaretha (Ada), geboren 1915, overleden 1994

Betsie (Bep), geboren 1919, overleden 2006

Joost Herman, geboren 1923, overleden 1966

George huwde 5 juli 1929 te Amsteerdam met Nelly Christine Elise Marcus ;

George en Nelly kregen acht kinderen

Willem, geboren 1930

Simon George, geboren 1931

Hans, geboren 1932

Jacob (Jaap), geboren 1934

Albert Sidney, geboren 1936

Philip (Flip), geboren 1937

Victoria Christine, geboren 1944

Anita, geboren 1947, overleden 1969

ons gezin 1946pa en ma 1954paenma '60Vader+ kk

 

1945, Victoria een half jaar, 1954, (zilveren bruiloft)Vader en Moeder in de tuin van de van Eeghenstraat ,daarnaast vader 70 jaar en rechts: Zomer 1955 Vader met kleinkinderen: Wouter, Els, Robbert, Hubert en Michiel Wimszoon

 

Bijzonderheden over George:

George van den Bergh (Oss, 25 april 1890 | Oegstgeest, 3 oktober 1966) was een Nederlandse politicus voor de SDAP (onder meer als Tweede Kamerlid) en voorzitter van het curatorium van het Wetenschappelijk Bureau van de SDAP en later van het wetenschappelijk bureau van de PvdA (de Wiardi Beckman Stichting); ook was hij betrokken bij de opstelling van het beginselprogramma van de PvdA in 1946-1947. Daarnaast was hij werkzaam als rechtsgeleerde (hoogleraar), rechter en amateur sterrenkundige.

Levensloop

Tijdens zijn studietijd was hij redacteur van het studentenweekblad Propria Cures. Toen ook kwam hij in contact met de socialistische beweging; hij werd in 1913 lid van de SDAP. Na zich al enige jaren te hebben ingespannen voor verschillende partijcommissies, vertegenwoordigde hij de SDAP tussen 1923 en 1932 als gemeenteraadslid in Amsterdam en tussen 1925 en 1933 als parlementarieNr. In de Tweede Kamer verwierf Van den Bergh bekendheid door zijn voorstellen tot hervorming van het kiesrecht. Vanaf 1934 was hij voorzitter van het Wetenschappelijk Bureau van de SDAP, en in 1936 werd hij door de Amsterdamse gemeenteraad benoemd tot hoogleraar in het Nederlands Staatsrecht.

In de periode rond de oorlog was hij eveneens bekend als uitvinder en astronoom. Zo stelde hij de invoering voor van de Euro-klok, die een geleidelijke overgang tussen winter- en zomertijd mogelijk zou maken (tussen 22 december en 21 juni duurt elke dag 50 seconde korter dan 24 uur, in het andere halve jaar juist 50 seconde langer), en ontwierp hij de zogenaamde tweelingdruk (de tekst wordt gezet in hoofdletters terwijl ook de interlinies worden bedrukt met de tekst van de volgende pagina, die echter met een gepast masker kan worden afgedekt) die tot een halvering van het papiergebruik had moeten leiden.

Tijdens de jaren '30 was Van den Bergh erg actief bij de opvang van Joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zat hij in het concentratiekamp Buchenwald opgesloten.

Van den Bergh was in 1961 eiser tot cassatie in het arrest Van den Bergh/Staat der Nederlanden, dat van belang is in verband met het verbod op grondwettelijke toetsing.(zie de Documentatie [Hier]

 

Van den Bergh studeerde aanvankelijk scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam, doch later ging hij naar de rechtswetenschap over. In 1915 promoveerde hij daarin op stellingen. Verdergaande studie mondde uit in de promotie cum laude tot doctor in de staatswetenschappen op een proefschrift over De medezeggenschap der arbeiders in de particuliere onderneming (1924). De ommezwaai van de exacte wetenschappen - waarvoor Van den Bergh een uitgesproken aanleg bezat en die hij zijn gehele leven als amateur, doch ver boven het gemiddelde van de niet-vakman, zou beoefenen - naar de rechtswetenschap is te verklaren uit de sterke ethische impuls, welke hem steeds bezielde. Hij, zoon van zeer gefortuneerde ouders, onderging de nood van zijn medemensen als eigen leed. Reeds jong sloot hij zich bij de SDAP aan; daarom ook richtte hij zich op de wetenschappelijke studie van de maatschappelijke en economische vraagstukken. Immer bleven hem deze sociale gerichtheid en menselijke bewogenheid bij. Zijn kennis en inzicht wilde hij inzetten voor de mensheid, in het bijzonder voor groepen in de samenleving, die onder terugzetting of verwaarlozing lijden, of zelfs voor individuele personen.

Het democratisch bestel achtte hij essentieel voor dit ontvoogdingsstreven: vandaar het grote belang, door hem aan de zuiverheid van dit bestel gehecht, een eis van ethisch beginsel, van menswaardigheid, vandaar ook zijn actieve deelneming aan gemeenteraads - en parlementaire arbeid. Voor de SDAP sedert 1923 lid van de Amsterdamse raad tot 1932, werkte hij met Wibaut en vele anderen mede aan de in- en uitwendige vernieuwing van de stad, waarin op sociaal gebied - met name voor de volkshuisvesting - zoveel te doen stond. Dat zelfde jaar 1923 werd hij voorzitter van de Nationale Woningraad. Als raadslid vertoonde hij de hem eigen oorspronkelijkheid van visie, zijn zeldzaam vermogen bestaande kwesties onbevangen en 'nieuw' te kunnen bezien. Het 'paleis-raadhuis-vraagstuk' in Amsterdam sneed hij in de raad aan, in 1924 betoogde hij reeds de behoefte aan een tunnel onder het Y. In 1925 werd hij lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (tot 1933). Daar bleek hij een geboren wettenmaker, logisch en scherpdenkend, helder formulerend. Een van de weinige kamerleden is hij, op wiens naam een geslaagde initiatiefwet staat, de Geldschieterswet van 1932, een anti-woekerwet, Hij verliet de praktische politiek, toen hij als lid van de SDAP-fractie in de Amsterdamse raad met de meerderheid van die fractie en met zijn Amsterdamse partij in conflict kwam.

Hij - en twee andere leden van de fractie - wilden niet het votum van de Amsterdamse federatievergadering van de SDAP volgen - niet omdat zij het daarmee materieel oneens waren (het ging om een salarisverlaging voor een deel van het gemeentepersoneel), maar omdat het, gegeven het door hoger gezag ingenomen standpunt, een slag in de lucht zou zijn. Wel gehoor geven aan de wens van de federatievergadering achtte Van den Bergh met de politieke eerlijkheid strijdig (1932): zijn sterk normbesef, dat hij ook bij anderen verwachtte, liet transigeren niet toe. Hoewel zijn houding in deze affaire algemeen respect had afgedwongen, werd hij bij de Kamerverkiezingen van 1933 niet herkozen

Het jaar 1936 bracht het hoogleraarschap, ofschoon hij als nummer twee op de voordracht stond, werd Van den Bergh door de Amsterdamse gemeenteraad in de zitting van 27 mei benoemd tot gewoon hoogleraar in het staats- en administratief recht van Nederland aan de Universiteit van Amsterdam. Bij de stemming werden op de als eerste voorgedragene, prof. C.W. van der Pot, 16 stemmen uitgebracht, terwijl Van den Bergh 26 stemmen verwierf, nl. van de sociaal-democraten, de communisten en enkele andere raadsleden. De nieuw benoemde hield een geruchtmakende intreerede over De Democratische Staat en de niet-democratische partijen. Zijn daarin verwoord standpunt, dat de democratische staat de partijen, die haar door een dictatuur willen vervangen, niet uit hoofde van het democratisch principe rustig haar gang mag laten gaan, werd eerst in en na de oorlogsjaren algemeen als juist erkend. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef hij als gijzelaar te Buchenwald (8 oktober 1940 tot 11 augustus 1941). Na een korte ziekte vrijgelaten, legde hij zich, omdat er naar zijn mening op het gebied van het recht toch niets te doen was, toe op de talenstudie: Russisch, Spaans, Nieuw-Grieks en de Scandinavische talen heeft hij toen leren beheersen.

Direct na de bevrijding keerde hij terug tot de rechtswetenschap. Het bijna 25-jarig professoraat nam de centrale plaats in Van den Berghs leven in. Meer jurist dan politicus, overtuigd van het belang van het staatsrecht als instrument om het democratisch ideaal naderbij te brengen, gaf hij met sterke persoonlijke betrokkenheid zijn onderwijs, schreef hij strijdbaar zijn talloze tijdschriftartikelen en zetelde hij (vaak als voorzitter) in vele staatscommissies ter voorbereiding van wetgevende maatregelen. Helder en boeiend doceerde hij, mild (in later jaren te mild?) was hij als examinator, als promotor ruimdenkend. Zelf bij uitstek een leerling van A.A.H. Struycken, maakte hij geen school. Speelde daarin zijn gebrek aan belangstelling in de rechtsfilosofie en -sociologie mede? De oplossing van concrete praktische problemen genoot zijn voorkeur: verbetering van de 'techniek' van de democratie. Geliefkoosde onderwerpen waren de grondrechten, het rechterlijk toetsingsrecht, het kiesstelsel, het gemeenterecht en het parlementair systeem. Steeds bestreed hij het bestaansrecht van de Eerste Kamer. Van de Staatscommissie voor de herziening van de Woningwet (1947-1950) was hij overtuigend de leider. Tot zijn grote teleurstelling zag hij, voorzitter van het Centraal Stembureau, dat de regering een door (hem in) dat college voorgestelde hervorming van het kiesstelsel (invoering van de facultatieve meervoudige voorkeur) niet overnam (1951).

Een relatief geringe distantie tot zijn onderwerp, een zekere ijdelheid ook, maakten hem persoonlijk kwetsbaar bij de bestrijding, die zijn - steeds op verandering gerichte - denkbeelden veelvuldig ondervonden. Ook buiten het juridische werk was dat zo, met name bij zijn voorstel tot invoering van de meerling-druk. Dit drukproceLdeL houdt in dat de tekst van pagina twee van een boek gezet wordt in wit dat bij normale drukwijze open blijft tussen de regels van pagina l. Het gebruik van een leesrooster, dat de niet te lezen regels afdekt is daarbij noodzakelijk. Van den Bergh beoogde met deze uitvinding de prijs van met name de studieboeken te verlagen: aan papier en bindwerk zouden de boeken in 'meerling-druk' minder kosten dan degene die op de conventionele wijze uitgegeven worden. Aan het euvel dat de lezer nooit in eLeLn oogopslag een bepaalde passage op een bladzijde kon terugvinden, doch steeds met het leesrooster moest manipuleren, tilde de uitvinder van het proceLdeL niet zwaar. Voor zijn astronomisch werk, op praktisch professioneel niveau verricht, kreeg hij in 1953 de prijs uit het Dr. J. van der Bilt-fonds; hij schreef een voortreffelijk boek over sterrenkunde voor ontwikkelde leken. Van de ruimtevaart, verricht door levende wezens, was hij evenwel een overtuigd bestrijder. Van den Bergh publiceerde verder over zons- en maansverduistering en over de Euroklok, een (omstreden) project om de klok in een gewijzigde vorm van zomertijd meer gelijk te laten lopen met het tijdstip van zonsopgang. Zijn uitvinding van een klok, bestemd om kinderen te leren klokkijken, was een van zijn activiteiten die bij het grote publiek vrijwel onbekend was. Het feit dat hem in 1959 de Zilveren Anjer door het Prins Bernhard Fonds werd toegekend op grond van zijn prestaties geleverd op het terrein van de sterrenkunde, de tijdrekening (Euroklok) en grafische technieken, vervulde hem met grote vreugde.

P: Onvolledige bibliografie (tot 1960 in Opstellen aangeboden aan Prof.Mr.Dr. G. van den Bergh (Alphen a/d Rijn, 1960).

L: G.A. van Poelje, 'Bewogen staatsrecht', in Opstellen_ hierboven onder P. genoemd; J. van der Hoeven, in Folio Civitatis 20 (1966) 5 (15 oktober) 4; idem, in Nederlands Juristenblad 41 (1966) 1033-1035; G.B. van Albada, in Hemel en Dampkring 65 (1967) 190-194; H. van den Bergh, in 'P.S.' van Het Parool van 7 februari 1974.

Bron: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 124.

voor de volledige bibliografie klik [hier]

 

 

. Onder: George ontvangt Witte Anjer  onderscheiding van Prins Bernhard

witte anjer
retour Sam

 

Vader 60, met dank aan Monne voor het mooiere exemplaar van deze foto