Ida,

Die ochtend was er iets merkwaardigs aan de hand.
Ik werd wakker en wist eerst niet goed wat het was.
Even later wel. Het was een bijzonder warm, weldadig en rustgevend gevoel.

Geen maagpijn !!

De laatste maanden was dat wel anders geweest. Meestal al om een uur of driees nachts werd ik wakker van kramp in mijn bovenbuik. Soms hielp het wat als ik van houding veranderde, maar later kon ik van de pijn niet meer stilliggen. In de kamer ernaast sliep Ida; zij moet het gemerkt hebben, want ze kwam in nachtjapon mijn kamer binnen en vroeg wat er was. gik heb zo'n pijn in mijn buik" . gIk haal wel even wat warme melkh, zei ze. gdat help vast wel g.
Ze ging de vijf trappen af en kwam terug met een beker warme melk.
Ik dronk ervan. Ze ondersteunde mijn hoofd. Het hielp echt. Met haar wang tegen de mijne fluisterde ze gje maakt je ook veel te drukh. gRustig aan, en ga nu maar weer lekker slapenh. Als ik es ochtends wakker werd was de pijn er weer. Maar minder.
Na de ontbijtpap was het over, en de rest van de dag merkte ik er niets meer van.

De volgende nachten was het hetzelfde. Ik kon er de klok op gelijk zetten. Als goede engel kwam Ida steeds met melk. Soms kwam ze op het bed zitten en praatte met me tot de pijn weg was. gWat heb je dan toch?, waar pieker je over ?h Ik probeerde niet mijn tranen te verbergen. Eigenlijk kon ik nergens anders aan denken dan aan het weggaan van de pijn. En aan haar handen die mij zacht aaiden.. Als ze zich voorover boog kon ik haar borsten zien. Het was niet prikkelend, maar wel intiem. Soms ook ging ze naast mij liggen en kon ik een arm om haar hals slaan, ervoor zorgend dat ze niet meteen weer wegging. Nooit meer weggaan, hoopte ik, alweer half slapend. Soms bleef ze wel een uur. Ik voelde me geborgen, rustig en veilig.

Overdag kwam ik haar natuurlijk vaak in huis tegen. Soms glimlachte ze wel es tegen me.
Maar ze gedroeg zich tegen mij niet anders als tegen de andere jongens. Bijna afstandelijk en steeds gehaast. Alsof er es nachts niets bijzonders gebeurd was.

Ida bleef niet lang, een jaar misschien. Met moeder of de anderen sprak ik niet over mijn nachtelijk probleem. Ik maakte mij er ook geen zorgen om. Met warme melk en de warme boezem van Ida tegen mij aan, ging het steeds weer over.

Het waren steeds terugkomende angstdromen. In die dromen was ik laat. Eigenlijk altijd te laat. De tijgers waren uit hun kooi gebroken en ik hoorde ze brullen. Zien kon ik ze meestal niet, maar ze waren wel vlakbij. Ik probeerde weg te rennen, maar mijn voeten konden bijna niet bewegen, half lam en vastgezogen in de grond .

Jaren later, tijdens een checkup , wees dokter Na mij op de rontgenfoto een oud litteken aan : gEen maagzweer", zei hij , "sommige mensen hebben er nooit wat van gemerkth .

 

* * * * *
.