ZWEMMEN

zwemmer

Om half zeven sluip ik de trap af. Het is nog donker en stil in het huis aan de van Eeghenstraat. Mijn kamer is op de bovenste verdieping. Het is de roze kamer.

Daar zijn aan de rechter zijkant van het huis twee schuine ramen gemaakt. Naar rechts kijk ik naar de van Eeghenstraat en naar links zie ik het Vondelpark en de tuin van de buren.
Om bij mijn fiets te komen moet ik vijf trappen af. Op de bovenste verdieping zijn ook de kamers van de inwonende dienstmeisjes en de kamer van Jaap, op het noorden, die over het park uitkijkt. Vanuit zijn kamer kan hij op een dakterrasje links klimmen.
Op mijn vroege tocht naar beneden kom ik eerst langs een badkamer, waar ik kort na de oorlog nog en tijdje geslapen heb - op een spiraalmatras op het bad - later was het de kamer van Lily. Daarnaast is de groene kamer waar Monne een tijd heeft gebivakkeerd. In het midden van de gang is Hans zijn kamer en daarnaast de kamer die weer aan de voorkant van het thuis ligt. Ook wel als gele kamer aangeduid. Daar waren wisselende bewoners, maar Wim was daar tot zijn vertrek naar het ATVA op 17 jarige leeftijd. Daarnaast, ook aan de voorkant, is nog een zijkamer, waar ik ook nog een tijdje gewoond heb. Op de verdieping eronder slapen onze ouders Daar hebben ze hun badkamer en is aan de voorzijde de grote studeerkamer van onze vader. Daaronder is de Hal, de gmarmeren gangh en de woon- en eetkamer, die via schuifdeuren in verbinding staat met de serre waar de beroemde foto is gemaakt en waar de naaisterses zaterdags naaiden.
Maar de fietsen staan in het souterrain. Op die laatste trap daarheen ben ik altijd een beetje bang. Er is daar een nis naar de stookkelder en de toegang tot de bijkeuken. Die is in de oorlog tot schuilkelder verbouwd met extra zware houten stutten en veel zandzakken. Het is daar donker en ik hoor de CV-ketel. Nog niet lang geleden is er ingebroken, en misschien zit er ergens wel weer een dief.
Ik ben opgelucht als ik eindelijk buiten ben. Ik ga zwemmen. Mijn club, gDe Jonge kampioenh traint om zeven uur in het zwembad aan de Heiligeweg . Ik ben trots op mijn groenwitte club-zwembroek. Het bad is warm en gezellig. De warme chloorlucht hoort bij de vroege ochtend. De badmeesters ken ik goed, en zij mij ook. George heet de ene en Appel de andere. Appel mist een duim. George niet. Ze hebben Amsterdamse gein.
Ook toen al zwom ik graag een lang stuk onder water. Appel zegt gHebbie me suster nog beneeje gesien, die is vannacht niet taas gekommeh. en gAssik fluit, dan mot je wel effe bovekomme, misschien is er wel tellefoon voor jeh !
Mijn sportvrindjes zijn vrolijke gabbers. Volksjongens. Er zijn er twee waarmee ik veel optrek en streken uithaal.Henny Klein en Sjarrel Tit. Plotseling het licht uitdoen met de hoofdschakelaar die boven de kleedhokjes aan de achterkant van het gebouw zat. Tegen de tijd dat George met een zaklamp daar aankomt om de schakelaar weer omhoog te zetten, zijn wij alweer in het water verdwenen. Of de hoofd warmwaterkraan heel even dicht draaien. Vanuit de douches klinkt dan geloei van de mannen die zich daar staan te wassen.

Vaak wordt er onder de douches gezongen. Top hit is gJerusalem, Jerusalemh, en gLand of hope and gloryhEr zijn maar enkele mannen die de hele tekst kennen. Maar het refrein klinkt fantastisch in de betegelde ruimte. Ik vind het prachtig en zelfs een beetje ontroerend. Ja , dat kan daar zomaar. Met weemoed denk ik er aan terug.
Hennie Klein emigreerde plotseling naar Canada. Ik vond dat erg. Sjarrel Tit, veranderde van naam en heette plotseling Ritton. Ik verbaasde me nergens meer over. maar dit soort veranderingen greep me wel aan. Sjarrel is nog jaren actief geweest als zwemtrainer. Dan moest je vooral veel schreeuwen. Zijn voorganger, ene Joost, met erg rode kop, was daardoor altijd schor.

Ik trainde tot acht uur, en ging dan naar school. Met enige regelmaat waren er wedstrijden.
Zowel onderlinge als tegen andere clubs. Het hardst werd getrained voor de landelijke wedstrijden. Ik had geen voorkeur voor een bepaalde afstand. Ik zwom 2 kilometer op zee vanuit Harlingen toen ik 17 was. Omdat ik bij borstcrawl zowel rechts als links kan ademhalen had ik geen last van de golven. Maar ik hoorde niet bij de topgroep. Wedstrijden op korte afstanden waren vlugger voorbij, maar het resultaat hing vooral af van hoe je startduik was en hoe je het keerpunt maakte. Mijn trainer was Stans Scheffer, die wel wat in mij zag, stelde mij voor aan Jan Stender, de trainer van het nationale jeugdteam in Hilversum. Deze toonde weinig belangstelling en zei alleen dat ik mijn schoolwerk niet moest verwaarlozen voor de training. Zak.

gKillemetersh


Een oude clubgenoot was Piet Ooms. Hij was jarenlang de Nederlandse lange afstand kampioen. Hij ploegde af en toe nog naast mij als een machine door het water . Hij was in 1884 geboren en had in 1908 meegedaan aan de Olympische Spelen in Londen. Daar was toen nog geen sprake van selectie vooraf. Iedereen die mee wilde doen kon zich aanmelden. Piet kreeg geen medaille. In 1950 was ik 14 jaar en Piet al zes en zestig. Hij is in 1961 overleden.
Ik hield van zijn enthousiasme en zijn aanmoedigingen. gWat je mot doen, Appie, wat je mot doen, is killemeters zwemmen; elke dag killemeters; zo heb ik het ook gedaan, ik zwom iedere ochtend de Amstel af tot Ouderkerk en terugh .
Zijn belangstelling voor mij stak schril af tegen die van mijn familieleden. Alleen Moeder vroeg wel eens hoe het was gegaan als ik een wedstrijd had moeten zwemmen.

Fantastisch was het toen ik in Luxemburg Benelux jeugdkampioen was geworden op de 50 meter vlinderslag. Een gevoel dat ik nooit meer vergeet. Op zich was het geen buitengewone prestatie, maar de spanning en de sfeer waren heel bijzonder.
Het kwam in de krant. Een collega van Vader, Bregstein, belde hem op om hem te feliciteren met het succes van zijn zoon. Vader had geen idee waarover het ging en vond het eigenlijk genant. Sport was geen item. Moeder heeft hem er eLeLn keer toe kunnen bewegen mee te gaan naar het Sportfondsenbad Oost. Het Amsterdams clubkampioenschap was toen een voor mij belangrijke wedstrijd. Even voor de start sprak mijn trainer me aan. gWaren dat je ouders, die zijn meegekomen ?h g jah, zei ik, gDaar zitten ze op de tribune; die man in dat bruine pak, die de krant zit te lezen, is mijn Vader.h

In juni ging ik een paar keer in de week met een klasgenoot - Rob Sajet - naar de Bosbaan. Hij nam mijn kleren mee op de fiets en ik zwom de 2250 meter achter elkaar uit.

Eigenlijk koesterde ik de geheime wens nog eens over het Kanaal te zwemmen vanaf Cap Gris-Nez, samen met Mary Kok, die ik kende van de HDZ, en die ik erg aardig vond. We zwommen samen ettelijke baantjes. Jaren later, in 1960 deed Mary het echt, als eerste Nederlandse vrouw. Maar zonder mij. Ik was toen al 24 jaar.

Niet alleen es ochtends trainde ik, maar ook drie of vier keer in de week van zes tot half acht es avonds. Dat maakte dat ik niet aan tafel kon eten. Ik at vooraf in de keuken mijn bruine bonen, speciaal voor mij gemaakt. Dat zwemmen met een volle maag niet goed zou zijn, heb ik nooit kunnen bevestigen, heb er althans nooit last van gehad. Ik miste daardoor de maaltijden met het gezin en de colleges van Vader. Niets speet mij minder. Ik luisterde eigenlijk helemaal niet naar hem.